Ledennieuws (Blog)

Excursie Comenius Museum

Zaterdag 11 januari 2014 heeft het Toonkunstkoor Hilversum het Comenius Museum in Naarden bezocht om meer te weten te komen over Comenius.

Dit in verband met de Comenius Cantate die het koor uit gaat voeren in De Waaier in Hilversum op 9 maart 2014. 

Dhr. Bruno Naarden heeft voor de aanwezige koorleden de volgende lezing gehouden:

Dames en Heren,

Het doet mij plezier u te mogen toespreken. Op 9 maart gaat u de Comenius Cantate zingen. Mooie muziek in 1892 gecomponeerd door een oud dirigent van uw koor, maar wel met een tekst die u nogal overdreven en bombastisch zal voorkomen en die daarom ook wel enige uitleg nodig heeft. In het blad van uw koor hebben Henk Roos en Hetty Hagers daarom al het een en ander verteld over Arnold Fabius,de tekstdichter, en Kees Andriessen, de componist, en zij hebben ook over Jan Amos Comenius, het onderwerp van deze cantate, al in het kort wat geschreven. U gaat bovendien straks een film over deze man bekijken en u heeft tijdens de koffie natuurlijk ook gezien dat in het filmzaaltje ook een kleine vaste tentoonstelling over hem is ingericht. Daar kunt u na mijn praatje onder genot van een tweede kopje koffie nog eens naar kijken. Ik wil daarom niet alleen maar over het leven van Comenius praten, want dan doen we alles driemaal en dat is niet nodig. Wel zal ik proberen uit te leggen waarom er voor Comenius, een Tsjechische theoloog en kerkleider uit de 17de eeuw een mausoleum en een museum in Naarden staat. Ik zal dus enige aandacht besteden aan het gebouw waarin u zich bevindt, verder wil ik iets vertellen over de relaties tussen Comenius en Nederland, over de betrekkingen tussen Tsjechië en Nederland en over de godsdienstoorlogen die vroeger in beide landen hebben gewoed. Ik zal dus vooral de historische achtergrond schetsen, want op die manier wordt hopelijk duidelijk waarom Comenius een figuur is waaraan cantates zijn gewijd, niet alleen door Kees Andriessen, maar ook door de beroemde Franse componist Darius Milhaud.

Om een figuur als Comenius en zijn opvattingen en levensovertuiging goed te kunnen begrijpen moeten we verder teruggaan dan 17de eeuw, de tijd waarin hij leefde . Kijkt u maar om u heen. U bevindt zich in een laat middeleeuwse ruimte. Oorspronkelijk was dit de kapel van het Mariaconvent, een franciscaans nonnenklooster. Dat is waarschijnlijk een behoorlijk groot klooster geweest. Als u straks even de tuin inloopt dat kun je aan de omtrekken van het gebouwencomplex zien hoe uitgestrekt het is geweest. Het werd in het begin van de vijftiende eeuw gesticht, in dezelfde tijd dat in Naarden ook de Grote Kerk werd gebouwd. Uit die grote religieuze bouwwerken blijkt wel hoe belangrijk het geloof toen voor mensen is geweest. Toch was het niet alleen een tijd van grote vroomheid, maar ook van religieuze onrust en religieus onbehagen. In heel Europa bestond grote ontevredenheid over de kerk, over het gedrag van de pausen (want er waren toen meerdere pausen tegelijkertijd) en de geestelijkheid. Ook in Nederland bestond beroering, maar die uitte zich vooral op vreedzame wijze. U hebt natuurlijk wel eens gehoord van de Moderne Devotie of de Broeders en Zusters des Gemenen Levens, een richting die de verdieping van het geloof benadrukte en de de kerk vreedzaam en van binnenuit wilde hervormen.

Het ging echter niet overal even zachtzinnig en gematigd toe. Een aantal Nederlandse voorgangers van de moderne devotie, zoals Geert Groote, had gestudeerd in Praag. Wij hadden in Nederland toen nog geen universiteit. Praag wel en die universiteit werd in de 15de eeuw een bolwerk van oppositie tegen Rome. In 1403 werd Jan Hus rector van de universiteit. Hus was een soort voorloper van Luther en Calvijn. Hij had felle kritiek op de katholieke kerk en verwierp het gezag van de paus, de kardinalen en de bischoppen. Hus was voorstander van een arme, moreel zuivere en meer democratische kerk. Vanwege zijn afwijkende opvattingen moest Hus in 1414 op het kerkelijke concilie in Constance in Zwitserland verschijnen. Hij werd als ketter veroordeeld en in 1415 op de brandstapel gezet.

In de middeleeuwen waren kerk en staat, geloof en politiek niet van elkaar gescheiden, maar hecht met elkaar verbonden. De Tsjechische landen hadden in religieus opzicht te maken met de paus en met Rome, maar in staatkundig opzicht waren zij toen, net als een groot deel van de Nederlanden, verbonden met het Duitse rijk en stonden zij onder het gezag van de Duitse keizer. De Tsjechen wilden niet alleen meer geloofsvrijheid, maar ook grotere politieke vrijheid. Zij wilden geen Latijn spreken en ook geen Duits, maar hun eigen volkstaal: Tsjechisch. De dood van Hus zorgde voor een explosie van religieuze, politieke, nationalistische, anti Roomse en anti-Duitse gevoelens. De volgelingen van Hus, de Hussieten, gingen zich, nu met geweld verzetten tegen de paus, de Duitse keizer en ook tegen de Duitse burgers in hun eigen steden. In 1419 werd de Duitse burgemeester van Praag door de Tsjechen gedood door hem uit het raam van het raadhuis te gooien. De paus organiseerde nu een aantal kruistochten tegen de Hussieten, maar die mislukten. Decennia lang wisten de Hussieten stand te houden tegen de legers van Duitse keizers of iedere andere heerser die zich met hun zaken bemoeide.

Militair gezien was dat een grootse prestatie, maar het was veel meer dan dat . Een eeuw eerder dan de rest van Europa hebben de Hussieten geprobeerd in eigen land een volledige reformatie door te voeren. Zij slaagden daar maar ten dele in, omdat zij zich als voorlopers van het protestantisme in een zeer geïsoleerde positie bevonden en omdat zij onderling erg verdeeld waren. Er waren radicale en meer gematigde Tsjechische groeperingen die elkaar onderling heftig bestreden. Uiteindelijk moesten de radicalen het onderspit delven, maar ook de gematigde stromingen hielden zich met moeite staande. Dat kwam ook omdat de Tsjechen, (net als de Nederlanders) in de loop van de 15de-16de eeuw te maken kregen met de steeds toenemende macht van het huis Habsburg. De Habsburgers veroverden de Duitse keizerskroon en bestuurden rond 1550 een wereldrrijk dat naast Duitsland ook vele andere landen omvatte: deNederlanden (dwz Nederland en België),Tsjechië, Slowakije, Hongarije, Kroatië, Oostenrijk, Spanje, delen van Italië, Amerika en Azië.

In de Tsjechische landen hadden de gematigde volgelingen van Hus zich aaneengesloten in de Unitas Fratrum (Eenheid der Broeders). Zij worden ook wel de Moravische of Boheemse broeders genoemd. (Moravie en Bohemen zijn landstreken in Tsjechië) Pogingen om hen weer te verzoenen met de katholieke kerk mislukten. De Boheemse broeders behielden hun eigen kerkorganisatie. Zij vertaalden ook de bijbel in het Tsjechisch. Sommige Habsburgse vorsten tolereerden hun bestaan, door andere echter werden zij vervolgd en opgejaagd. Zij konden daarom op de sympathie rekenen van gelijkgestemde mensen in de rest van Europa zoals Erasmus van Rotterdam of van een reformator als Maarten Luther.

Erasmus bleef echter katholiek en de Boheemse broeders waren het in een aantal zaken ook niet eens met de protestant Luther. Het was voor hen echter wel een enorme steun dat Luther (en ook andere reformatoren zoals Calvijn) in de eerste helft van de 16de eeuw zeer veel aanhang in heel Europa kregen. De reformatie werd een machtige religieuze beweging in heel Europa en kreeg ook een enorme politieke betekenis. Duitse vorsten en edellieden die protestants werden , maakten hun gebieden niet alleen los van de katholieke kerk, maar ook los van het Duitse keizerrijk. Daarom zagen Habsburgse vorsten als Karel V en zijn zoon Philips II het als hun taak om overal in hun enorme rijk het protestantisme uit te roeien. Dat was echter wel erg moeilijk omdat het nieuwe geloof overal de kop op stak. Ook in landen, die we nu als traditioneel katholiek zien, zoals Italië, Frankrijk, België, Polen was een groot deel van de bevolking protestants geworden. In Nederland gebeurde dat ook en u weet waar dit toe geleid heeft. Zoals de volgelingen van Hus in Tsjechië honderdvijftig eerder hadden gedaan, kwamen de Nederlanders in 1568 ook tegen deze religieuze en politieke onderdrukking in opstand. De Tachtigjarige Oorlog was begonnen. Een van de bloedigste episoden in de Nederlandse strijd voor godsdienstvrijheid en nationale onafhankelijkheid was de uitmoording van de bevolking van Naarden in 1572 door Spaanse troepen. Toch heeft Naarden uiteindelijk voor de reformatie gekozen en dat betekende dat het vrouwenklooster werd opgegeven. De gebouwen werden gebruikt als weeshuis en Latijnse school en in de kapel, waar wij nu zitten, werd een Waalse kerk gevestigd. Een kerk dus voor Franstalige calvinisten. In Naarden woonden destijds een paar honderd protestantse lakenwevers die uit Wallonië of Frankrijk naar ons land gevlucht waren.

Nu bent u vast al aardig ongeduldig geworden , want over Comenius heeft u nog niets gehoord. Maar daar kom ik nu aan toe. In 1618, een halve eeuw nadat de strijd tussen de Habsburgers en de protestantse Nederlanders was uitgebroken, sloeg dit conflict over naar het Oosten. Ik heb u al verteld dat de Tsjechen in 1419 de Duitse burgemeester uit het raam hadden gegooid. Twee eeuwen later, op 28 mei 1618, vond weer een zo’n gebeurtenis, een defenestratie, plaats, toen gooiden de Tsjechen twee edellieden die als vertegenwoordigers van de Habsburgse keizer optraden, uit een dertig meter hoog gelegen raam van het koninklijk paleis in Praag. Dit liep niet zo slecht af voor de twee dienaren van de keizer want zij kwamen zacht op een mestvaalt terecht, maar dit was het wel het begin van de Dertigjarige oorlog die rampzalige gevolgen voor Duitsland zou hebben en noodlottig was voor de Tsjechen.

De Nederlanders hadden grote sympathie voor de opstand van het Tsjechische volk dat toen voor tachtig procent uit protestanten bestond. In 1619 besloot de Staten Generaal in Den Haag tot een lening van 50.000 gulden per maand aan de Tsjechische rebellen en zij stuurden zo’n 5 à 6 duizend soldaten naar Praag en omstreken. De Tsjechen hadden intussen een eigen protestantse koning, Frederik van de Pfalts, gekozen die familie was van de Engelse koning en van de Nederlandse Oranjes. Met Engelse en Nederlandse hulp hoopten zij de strijd tegen Habsburg te kunnen winnen. Maar de Engelse koning gaf geen steun, die van de Nederlanders bleef beperkt en de Tsjechen waren zelf opnieuw verdeeld. Op 8 november 1620 werden zij in de slag op de Witte berg bij Praag in twee uur tijd verpletterend verslagen door de keizerlijke troepen. Frederik van de Pfalts vluchtte naar Den Haag en redde zo zijn leven, maar 27 leiders van de opstand werden in Praag terechtgesteld. Het bezit van driekwart van de Tsjechische adel werd geconfiskeerd en tegelijkertijd begonnen de Habsburgers met de hardhandige rekatholisering van het land. 100 à 200 honderd duizend protestanten verlieten het land. Hieronder bevond zich ook Jan Amos Comenius die tegenover God zou uitroepen: “Gij hebt ons verstrooid over landen, waarvan onze vaderen nog nooit hebben gehoord.”

Wie was Comenius? Zijn eigenlijke naam was Jan Amos Komenski. Hij was de leider van de Tsjechische protestanten in ballingschap, van de Unitas fratrum, van de Boheemse broeders. Hij diende zijn kerk en zijn volgelingen als leraar, predikant, archivaris en uiteindelijk als bisschop. Hij zag zichzelf vooral als theoloog, maar was een zeer veelzijdig geleerde die meer dan 200 werken schreef. Hij was o.m. actief als theolooog, filosoof, pedagoog, taalkundige, cartograaf, toneelschrijver en boekdrukker. Comenius zwierf als vluchteling door heel Europa en maakte de vreselijkste dingen mee. Zijn vrouw en kinderen stierven door de pest. Oorlogsgeweld zorgde ervoor dat hij zijn bibliotheek verloor en dat een groot deel van zijn manuscripten in vlammen opgingen. Comenius en zijn Boheemse broeders bleven er echter van overtuigd dat de Habsburgers verslagen zouden worden en dat zij op een gegeven moment weer naar huis terug konden keren.

Het merkwaardige was dat een gematigd en zeer geleerd man als Comenius geneigd was om geloof te hechten aan de mystieke visioenen en chiliastische profetieën van enkele van zijn naaste volgelingen. Dit waren zeer eenvoudige mensen die beweerden dat God persoonlijk aan hen had verkondigd dat Hij achter de zaak van de Boheemse broeders stond en dat de Tsjechische protestanten uiteindelijk de overwinning zouden behalen. In 1648 bleek dat zij er volkomen naast zaten. Toen werd de vrede van Munster of Westfalen gesloten waardoor er een eind kwam aan de Tachtigjarige Oorlog in Nederland en de Dertigjarige Oorlog in Duitsland. Het resultaat van die vrede was dat Nederland als onafhankelijke staat werd erkend door de andere landen van Europa. Tsjechië bleef echter in handen van de Habsburgers en het protestantisme bleef daar een verboden godsdienst.

Voor mijzelf is Comenius daarom een symbool voor de tijd waarin zich een grote kloof opende tussen het Westen en grote delen van Midden Europa. Een kloof die daarna nooit meer geheel kon worden gedicht. De Nederlandse gewesten en de Tsjechische landen hebben beiden een langdurige strijd gevoerd tegen Habsburg en tegen het Rooms-katholicisme en voor nationale, godsdienstige en culturele onafhankelijkheid. De Noordelijke Nederlanden hebben dat gevecht gewonnen en zijn daardoor tot ongekende bloei gekomen. Het protestantse Bohemen is echter ten onder gegaan en heeft net als het protestantse Hongarije en het protestants Polen bijna alles verloren.

Comenius was een merkwaardige figuur. Hij was niet alleen bereid in de godsdienstwaanzinnige opinies van anderen te geloven, hij bleef ook een aartsoptimist. Hij was als vluchteling zo berooid als als een kerkrat en volledig afhankelijk van de toevallige steun van buitenlanders en buitenstaanders. Toch probeerde hij altijd dingen te bereiken die ver boven zijn macht en mogelijkheden lagen. Zo heeft hij steeds voor vrede en religieuze verdraagzaameid gepleit in een tijd dat Europa verscheurd werd door godsdienstoorlogen. Hij was een beklagenswaardige balling, op de vlucht voor geweld en onderdrukking en tegelijkertijd een handige overlevingskunstenaar. Hij kwam vele rampen te boven, paste zich aan elk vreemd milieu aan en wist voor zijn hopeloze zaak steeds nieuwe bondgenoten en geldschieters te vinden. Hij heeft natuurlijk enige hulp gekregen van protestantse landen en vorsten. De rijke Nederlandse Calvinist en koopman Louis de Geer trad op als zijn voornaamste maecenas. De overtuigde pacifist Comenius vond het niet erg dat De Geer zijn geld verdiend had met de productie en verkoop van musketten en kanonnen want hij streed voor de goede zaak. Volgens Comenius was het ook niet immoreel om voor steun aan ter kloppen bij de katholieke koning Lodewijk XIV van Frankrijk of zelfs de Turkse sultan, want beide waren vijanden van de Habsburgse keizer.

Dit soort tegenstrijdigheden horen bij Comenius. Hij was een nieuwsgierige wetenschapper die voortdurend op zoek was naar alles omvattende kennis, maar hij wilde deze kennis wel blijven combineren met de goddellijke openbaring. Zoals de meeste katholieke en protestantse theologen van zijn tijd kon hij niet geloven dat de aarde om de zon draaide. In vergelijking met Galilei of Christiaan Huygens was hij een conservatieve geleerde met achterhaalde ideeën, maar op het gebied van de pedagogiek en didactiek was hij zijn tijd ver vooruit.

In Europa volgden destijds nog maar zeer weinig kinderen lager onderwijs, maar Comenius vond dat iedereen een goede opvoeding en opleiding moest krijgen. Dat was niet alleen belangrijk voor de ontplooiing van het individu, maar ook wezenlijk voor de wereldvrede. Door kennis en inzicht kwamen de mensen dichter bij God en zouden ze in principe alle misverstanden en conflicten op aarde kunnen oplossen.

Ik heb u verteld hoe de Hussieten, de Tsjechische aanhangers van Johan Hus, eeuwenlang met de wapens in de hand hun land, hun afwijkende godsdienstige overtuiging en hun eigen taal verdedigd hadden tegen de Duitse keizer en de Latijnse katholieke kerk. Ook Comenius had zelf liever nooit iets in het Latijn en alles in zijn geliefde moedertaal, het Tsjechisch, geschreven. Het waren buitenlandse vrienden die Comenius ervan overtuigden dat zijn pleidooien voor de ‘protestantse’ Tsjechen en zijn theologische en pedagogische geschriften alleen een Europees publiek konden bereiken indien zij in het Latijn gepubliceerd werden. Want latijn was toen wat nu het Engels is, de enige taal die overal door een ontwikkeld publiek werd begrepen, geschreven en zelfs gesproken. Latijn leerde men toen in Nederland op een Latijnse school. Ook in dit voormalige kloostercomplex in Naarden was in de 17de eeuw een Latijnse school gevestigd. Hoe leerde je daar nu Latijn? De Hollandse overheid had in 1625 bij de wet bepaald dat 62% van de lesuren op de Latijnse scholen aan die taal besteed moesten worden. Al die uren werden gebruikte om ingewikkelde literaire teksten uit de Romeinse Oudheid te lezen en uit het hoofd te leren. Dat was moeilijk en het Latijn van de meeste leerlingen bleef erbarmelijk.

Comenius begreep dat hij om zijn ideeën te verbreiden en de zaak van zijn volgelingen te verdedigen in het Latijn moest schrijven, ook al was dat eigenlijk volgens hem de taal van de paus en de katholieke kerk, dus de taal van de vijand. Maar als iedereen dan toch dat moeilijke latijn moest leren, dan diende er ook een goede leermethode te komen om al die arme kinderen te helpen die overal in Europa met die vreselijke taal worstelden. Comenius ontwierp daarom een driejaarlijkse cursus. Daarvoor schreef hij drie schoolboeken in oplopende moeilijkheidsgraad: het Vestibulum, (voorportaal ), de Ianua reserata (geopende poort/voordeur) en het Atrium (binnenplaats). Zijn meest beroemde leerboek de Orbis Pictus ( de wereld afgebeeld) was bedoeld als een soort aanvulling daarop. Hij bood leerlingen geen oude ingewikkelde literaire teksten aan, maar gaf praktische lessen in eigentijds, gewone-mensen-Latijn. Hij legde daarbij de nadruk op luister- en spreekvaardigheid. Het vocabulair van zijn leerboeken was aan het dagelijks leven ontleend. Zij waren geïllustreerd met houtsneden en voorzien van een vertaling in één of meerdere Europese talen. Door deze lesmethode Latijn die zelfs in het Russisch, Turks, Perzisch en Mongools werd vertaald, is Comenius wereld beroemd geworden. Toch was hij geen echte filoloog of kenner van de Oudheid zoals de meeste geleerde classici van zijn tijd. Een klassieke educatie of een goede beheersing van het klassieke Latijn waren voor Comenius maar bijzaken. Een samenleving waarin je geen Latijn meer zou hoeven leren was volgens hem eigenlijk een betere wereld.

Tegelijkertijd vond Comenius het een groot probleem dat er zo veel verschillende talen bestonden. Als mensen elkaar niet begrepen omdat ze verschillende talen spraken, dan konden zij hun onderlinge problemen en conflicten niet oplossen. Comenius heeft zich ingezet voor een vertaling van de Bijbel in het Turks om de Osmaanse Turken te bekeren tot het christendom. Dat vertaalproject is tijdens Comenius nooit voltooid en zelfs als dat wel gelukt was, dan zouden de Turken naar alle waarschijnlijkheid toch gewoon moslims zijn gebleven. Bovendien de Turken waren maar één volk met één taal. Wat moest je met de vele volken in Azië en Amerika die heidens of andersgelovig waren en allemaal verschillenden talen spraken. Zelfs een utopische denker als Comenius besefte dat het onmogelijk was om aan al deze mensen op korte termijn het Evangelie in hun eigen taal te verschaffen.

Daarom probeerde Comenius nog verdere te denken. Hoe prachtig zou het niet zijn voor het zielenheil van talloze onchristelijke medemensen op aarde en voor de vestiging van een duurzame vrede in Europa indien de veeltaligheid, de polyglottia, omgezet kon worden in de panglottia van een gemakkelijk te leren nieuwe wereldtaal? Tenslotte stond er in de Bijbel dat de mensen vóór de val van de toren van Babel niet meer dan één taal hadden gehad en Comenius was ervan overtuigd dat er in het hiernamaals ook één, en uiteraard volmaakte, eindtaal gesproken werd. In dit ondermaanse kon met Gods hulp misschien ook weer één universele taal geconstrueerd worden door uit te gaan van de samenhang tussen talen. Comenius was zich als Tsjech uiteraard bewust van de sterke onderlinge verwantschap van de Slavische talen. Bij de Romaanse en Germaanse talen was dat ook het geval. Wellicht kon er eveneens een verband gelegd worden tussen de Europese, de Aziatische en de Amerikaanse Indianen talen. Comenius was dus een groot voorstander van een kunstmatige, nieuwe, maar universele taal die door alle mensen terwereld gemakkelijke geleerd en gesproken zou kunnen worden, een soort Esperanto. Hij heeft geen tijd gehad om zo’n nieuwe taal te ontwerpen, Sommige van zijn tijdgenoten deden dat wel, maar zij hadden daarbij meestal minder idealistische oogmerken dan Comenius. De zeventiende-eeuwse geheimtalen en geheimschriften voor spionnen en diplomaten waren juist bedoeld om de communicatie zo veel mogelijk te beperken.

Tijdens zijn leven was Comenius een bekende, maar ook omstreden figuur. Hij was in 1656 na een leven van omzwervingen en ontberingen in Amsterdam beland en werd financieel ondersteund door het stadsbestuur. Comenius droeg uit dankbaarheid de Didactica Magna, één van zijn grote werken over pedagogie op aan de stad, maar de Amsterdamse leraren,professoren en classici namen zijn onderwijsopvattingen niet over. Comenius wekte de wrevel van de Nederlandse humanistische geleerden omdat hij de elementaire belevingswereld van het kind boven de verheven cultuur van klassieke teksten plaatste. Ook Nederlandse protestantse theologen hadden veel kritiek op Comenius omdat hij geloof hechtte aan die vreemde orakels en voorspellingen van enkele van zijn volgelingen en zij vonden hem een weliswaar sympathieke, maar nogal bizarre sekteleider. Ook zijn nogal onmogelijk streven naar allesomvattende kennnis maakte dat hij door een scherpe denker als Descartes als een zwerige wereldverbeteraar en een soort pseudo-geleerde werd gezien.

Comenius overleed in 1670 in Amsterdam en waarom hij hier in de vesting Naarden begraven werd, is nooit duidelijk geworden. Na zijn dood is men Comenius eigenlijk vrij snel vergeten. Pas veel later, na 1850, ontdekten pedagogen dat veel van hun ideeën die toen als heel modern werden beschouwd, al in de boeken van Comenius teruggevonden konden worden. Bijvoorbeeld de noodzaak van aanschouwelijk onderwijs. De gewoonte om leerboeken met didactische plaatjes te illustreren is voor het eerst op een heel uitgekiende manier door Comenius toegepast. Aan het eind van de 19de eeuw eeuw was Comenius weer een internationale beroemdheid geworden en algemeen erkend als een figuur van Europees formaat. In verschillende landen ontstonden verenigingen en genootschappen die zijn werk opnieuw gingen bestuderen. Ook in Naarden werd in 1892 herdacht dat Comenius driehonderd jaar eerder was geboren. Een van de belangrijkste initiatiefnemers hierbij was Arnold Fabius, de tekstdichter van de cantate die u aan het instuderen bent. Hij richtte ook het eerste Comenius monument in Naarden op. Een grote kei opgegraven ergens inhet Gooi werd bij de Utrechtse poort in de vesting neergelegd en voorzien van een Tsjechische tekst waarop Jan Amos Komensky werd herdacht. Dit eenvoudige monument bestaat niet meer, maar er zijn daarna nog wel twee andere monumenten voor Comenius in Naarden neergezet. Een borstbeeld uit 1922 staat in de tuin van het museum en een groot standbeeld staat bij de Grote Kerk. Fabius was ook de vornaamste grondlegger van het Comenius Museum dat aanvankelijk in een kamertje van het raadhuis gehuisvest werd, daarna in het zogenaamde Spaanse huis in de vesting en sinds 1992 in dit gebouw.

Dat piepkleine museumpje van Fabius in het stadhuis kreeg in 1905 al een beetje subsidie uit Praag. De Tsjechen en Slowaken wisten heel goed dat Comenius in Naarden begraven was. Zij leefden toen nog steeds binnen het Habsburgse rijk dat destijds door Duitsers en Hongaren gedomineerd werd. De Tsjechen en Slowaken voelden zich als volkeren binnen dat keizerrijk miskend en onderdrukt. Comenius was één van hun grootste nationale helden. Toen in 1918 het Habsburgse rijk uiteen viel en de Tjechen en Slowaken voor het eerst een onafhankelijke staat konden vormen, nam onder hen de belangstelling voor de stad waar hun beroemde landgenoot begraven lag alleen maar toe. Onder de in Nederland wonende Tsjechoslowaken ontstond de gewoonte om jaarlijks op 28 maart, de geboortedag van Comenius, bijelkaar te komen in Naarden. Lang had men men in de veronderstelling verkeerd dat het graf Comenius zich in de Grote Kerk bevond, maar een notaris in Naarden ontdekte in 1871 in een archief dat hij in de Waalse kerk was begraven. Die bestond echter toen al lang niet meer. In het begin van de 19de eeuw was was het gehele voormalige kloostercomplex ingericht als kazerne. Deze ruimte was in gebruik als wachtlokaal en magazijn en verkeerde in een zeer vervallen staat. De militairen hadden er een betonnen vloer in gestort en daarom nam men aanvankelijk aan dat alle graven geruimd waren en dat Comenius hier dus helaas niet meer lag. Nauwkeurig archiefonderzoek wees echter uit dat er zich misschien toch nog graven onder het beton konden bevinden.

Daarom vond in juli 1929 een opgraving in deze kapel plaats die geleid werd door Tsjechische en Nederlandse deskundigen. Zij hebben de vloer opengebroken en een aantal daaronder liggende graven onderzocht. Uiteindelijk vonden zij het stoffelijk overschot van een oude man die met enige waarschijnlijkheid Comenius had kunnen zijn. Vervolgens is dit gebouw in 1933 overgedragen aan Tsjechoslowakije. De Tsjechische overheid heeft het geheel goed gerestaureerd en door Tsjechische kunstenaars laten inrichten als een fraai mausoleum voor hun grote landgenoot. In 1935 is het plechtig geopend.

We hebben in Nederland bij mijn weten eigenlijk maar één ander echt mausoleum, dwz een apart gebouw dat geheel als grafmomument is ingericht en zich niet op een begraafplaats bevindt. Dat is het mausoleum van de Duitse keizer Wilhelm II bij kasteel Doorn, maar dat is veel bescheidener van opzet en heeft geen enkele kunsthistorische waarde. Het Comenius Mausoleum is dus iets unieks. Het gebouw is overigens maar een paar jaar Tsjechoslowaaks bezit gebleven. Toen Hitler in 1939 Tsjechoslowakije binnenviel en grotendeels inlijfde bij het Duitse rijk, heeft Nederland de erfpachtovereenkomst opgezegd. Toch zijn de Tsjechen en Slowaken dit gebouw als een stukje Tsjechoslowakije op Nederlandse bodem blijven beschouwen. Dat gebeurde ook na 1948 toen hun land een vazalstaat van de Sovjetunie was geworden. Comenius bleef een nationale held, ook in de ogen van de communistische dictatuur. Zo’n honderd Tsjechische partijbonzen kwamen elk jaar naar het mausoleum en het museum. Groepen boeren, vrouwen of arbeiders uit Tsjechoslowakije kregen ook regelmatig toestemming om Naarden te bezoeken. Uiteraard onder toezicht van leden van de geheime politie.

Velen onder u zullen zich nog goed de spannende dagen herinneren, van 1968, van de Praagse Lente, de kortstondige periode van communisme met een menselijk gezicht in het Tsjechoslowakije van Alexander Dubcek. Nadat de tanks van sovjetleider Brezjnev dit experiment vermorzeld hadden, kreeg het Comenius-mausoleum in Naarden helemaal een symbolische betekenis. Voor de duizenden Tsjechen en Slowaken die naar het Westen waren gevlucht, was dit grafmonument het enige stukje vaderland geworden dat nog echt vrij was en niet door de leugen werd geregeerd.

In Comenius zagen zij opnieuw een voorganger. Hij was destijds ook uit zijn land verdreven, maar toch een voorstander van vrede, verdraagzamheid en het uitdragen van de waarheid gebleven. De inrichting van het mausoleum sterkte hen in deze gevoelens. Tomas Masaryk, na 1918 de allereerste president van Tsjecholowakije, was net als Comenius een groot geleerde. In het houtsnijwerk achter u vindt u zijn wapen en de daarbijbehorende spreuk Pravda vítězí (de waarheid overwint). Nog meer troost kon geput worden uit de gedenkplaat die diezelfde president Masaryk ook in 1935 in het mausoleum had laten aanbrengen. Daarop stond (en staat nog steeds) een tekst van Comenius waarin de Tsjechen werd beloofd dat zij de zeggenschap over hun eigen zaken weer terug zouden krijgen, zodra de stormen die nu over hun hoofd gierden, weer geluwd waren. Waarlijk profetische woorden. In de jaren zeventig en tachtig kreeg Naarden bezoek van duizenden Tsjechen en Slowaken. Na 1989, na de val van het communisme in Oostelijk Europa zwol hun aantal tijdelijk tot tienduizenden aan. Zij reden naar Naarden met gammele bussen waarin zij ook overnachten en hun potje kookten.

De gemeente Naarden plaatste voor hen toiletten op de parkeerplaats en bracht verkeersborden in het Tsjechisch aan. Een aantal Naardense bestuurders trok zich het lot van deze middeneuropese politieke pelgrims aan. Zij hebben zich ook ingezet voor het Comenius mausoleum en museum en de band tussen Naarden en Tsjechië verstevigd. Het was natuurlijk eervol om beroemdheden als Alexander Dubcek en Vaclav Havel in Naarden te mogen ontvangen. Maar het het gedoe rond Comenius werd de lokale politici ook wel eens te veel. Het kostte soms meer tijd, moeite en geld dan hen lief was. Eén Naardense burgemeester heeft op gegeven moment uitgeroepen: Ik wou dat Comenius in Ilpendam en niet in Naarden begraven was, dan had ik nu geen probleem!

Voor de Tsjechen is Comenius een belangrijk nationaal ikoon gebleven en zij komen nog steeds naar Naarden, maar niet meer in zo grote getale als vroeger. De gemeente Naarden heeft de subsidie voor het museum in 2004 ingetrokken. De Tsjechische overheid betaalt nog wel een bijdrage, maar de financiële middelen van museum en mausoleum zijn uiterst bescheiden en zij hebben een lastige taak te vervullen. Hoe moet je een bezoeker en vooral een Nederlandse museumbezoeker, hedentendage in contact brengen met het gedachtengoed van een Tsjechische theoloog en pedagoog uit de zeventiende eeuw? Geleerdheid uit vroeger eeuwen laat zich niet makkelijk verbeelden of populariseren en heeft een nogal stoffig imago. Het museum doet zijn uiterste best. Naast een permanente tentoonstelling over Jan Amos Comenius biedt het ook voortdurend wisselende exposities aan die op enigerlei wijze gerelateerd zijn aan het leven, het werk of het geboorteland van Comenius. Dat dit vele jaren achtereen gelukt is, is deels te danken aan de de vruchtbare samenwerking met allerlei mensen en instanties uit Tsjechië en Slowakije, maar vooral aan de grote inspanning en vindingrijkheid van de museumploeg die voor het overgrote deel uit onbetaalde vrijwilligers bestaat. U kunt straks een bezoek brengen aan een van die door hen ingerichte tijdelijke exposities en ook de film over Comenius en de vaste tentoonstelling bekijken. Ik hoop dat u straks dit gebouw zult verlaten met het gevoel dat Comenius wel het instuderen van een cantate waard is.Wel, dames en heren, dat was wat ik u wilde vertellen. Dank u zeer voor uw aandacht.